Kerstboodschap van Z.Em. Aaartsbisschop Gabriël van Komana

Heden heeft de Godheid Haar stempel gezet op de mensheid, opdat de mensheid getekend wordt met het zegel van de Godheid (Hl. Efraim va Nisibis)

Dierbare broeders en zusters in de Heer

Toen Christus in Bethlehem geboren werd, opende Hij voor ons Zijn Koninkrijk. De Schepper toonde Zijn nederige, liefhebbende en medelijdende hart. En zo wil Hij dat onze vreugde volkomen is volgens het woord van de Engel: “Zie, ik verkondig u een grote vreugde; heden is ons de Verlosser geboren - Christus de Heer” (Luk. 2, 10). Inderdaad: deze Geboorte wekt in ons een onmetelijke vreugde en diepe vrede: “vrede op aarde, in de mensen een welbehagen” (Luk. 2, 14) en ons menselijk hart opent zich teneinde deze Goddelijke liefde te ontvangen.

Gedurende lange tijd heeft het volk van Israel gewacht op Gods heil. Geduldig en doorheen vele beproevingen, in verbanning en vervolging, bleef in het mensenhart de hoop op de komst van de Messias levend. De Profeten hebben onophoudelijk de komst van het Koninkrijk en de Koning, die de verlossing zal brengen, voorspeld. Maar - zusters en broeders - hoe moeten we deze hoop in de praktijk brengen? Wat zien we om ons heen?

De paleizen der machtigen zijn ontoegankelijk, omgeven door hoge muren, bewaakt door soldaten die elke toegang verhinderen. Maar heden wordt de Koning der Koningen beschermd in een stal en in plaats van bewapende soldaten zijn het dieren, die met hun warmte het Goddelijk Kind koesteren. Het geschenk uit de hemel is voor iedereen toegankelijk; de engelen en de ster leiden groot en klein tot de Verlosser der wereld, Die Zijn bezoekers aanziet met de onbevangenheid van een kind. Zó wordt het heil aan de wereld gegeven: “neem het Kind Jesus in uw armen en toon hoe licht het juk van het Koninkrijk is” zegt vader Matta el Maskin (1919 - 2006).

Hoe moeten wij aan deze gebeurtenis vandaag de dag gestalte geven? Hoe haar integreren in ons dagelijks leven? Want een liturgisch feest is niet slechts een vrome gedachtenis; het is een concrete werkelijkheid die de tijd overstijgt en die heil schenkt aan ieder van ons.

Toen de Hebreeërs optrokken naar het Beloofde Land werden ze geconfronteerd met menselijke zwakheid, met hun eigen onvermogen en met het onvermogen van anderen. De verdorvenheid van het geweten was een verpletterende werkelijkheid, de leiding verzaakte, het volk morde, bouwde zich afgoden en keerde terug tot heidendom. Dat alles veroorzaakte vrees, angst, lijden en wanhoop: “ze zwierven door de eenzame woestijn, door dor en waterloos land ...” (ps. 106, 4).

Deze situatie zou op de huidige tijd van toepassing kunnen zijn: de mens is altijd zwak, omkoopbaar, verachtelijk. Karaktersterkte neemt af, immoraliteit heerst overal: “in hun wanhoop riepen ze tot de Heer en Hij heeft hen verlost uit de nood” (ps. 106, 6). Ook wij roepen tot Hem; ook wij richten onze gebeden tot de Heer: “Heilige God, Heilige Sterke, Heilige Onsterflijke, ontferm U over ons”. Maar zijn wij ons voldoende bewust van dit smeekgebed, dat het ritme van onze diensten bepaalt? Of van ons steeds herhaalde: “Heer, ontferm U over ons”? Dragen wij deze schreeuw van de mensheid, waarvan wij een deel zijn, voortdurend in ons hart? En toch moeten we zó leven, want alleen zó zullen we van God het heilbrengende antwoord ontvangen, dat vandaag tot ons komt.

Ja, het Heil is aan de wereld gegeven. Ja, de Liefde is aan ons allen geschonken. Ja, de armen en nederigen van hart, die tot God roepen, hebben verhoring ontvangen. We leven niet meer “in de schaduw des doods”: de poorten van het Koninkrijk zijn heden voor ons geopend, zoals Christus zegt: “het Koninkrijk Gods is in ons”. Hoe is dit alles mogelijk? Eenvoudig, omdat het Koninkrijk Gods God Zelf is; omdat “God mens geworden is, opdat de mens God wordt” (Hl. Athanasius van Alexandrië). Door de menswording van het Woord, van de Eniggeboren Zoon van God, is ons vlees geworden tot drager van Gods Koninkrijk en daardoor vergoddelijkt.

Het Kind in de kribbe is de “Vredesvorst” (Jes. 9, 6). Wij kunnen naderen tot dit Kind, waarvan we vandaag de de Geboorte vieren; evenals de herders en de wijzen kunnen wij ervoor nedervallen en onze tranen, ons lijden, ons verdriet worden in de ogen van dit nieuwgeboren Goddelijk Kind tot goud, wierook en mirre. En wij, op onze beurt, ontvangen de kostbare gift van de barmhartigheid; wij mogen delen in de Goddelijke Liefde. Dit is geen eenmalige gebeurtenis van zo’n 2000 jaar geleden; het Heil is onophoudelijk toegankelijk voor ons; elke dag mogen wij onze tranen laten wegwissen door Gods Liefde; elk moment kunnen wij Hem horen zeggen: “kom tot Mij, die belast en beladen zijt en Ik zal u troosten (Mat. 11, 28).

Dierbare zusters en broeders in de Heer, laten we dit Kind in onze armen nemen en we zullen getroost worden in en door de Goddelijke Liefde. Maken we de woorden van de grijsaard Simeon, die eveneens Christus in zijn armen gedragen heeft, tot de onze: “Laat nu, Heer, Uw dienaar heengaan in vrede volgens Uw woord, want mijn ogen hebben Uw heil aanschouwd, dat Gij bereid hebt voor het oog van alle volkeren: Licht tot verlichting der heidenen en tot glorie van Uw volk Israel” (Luk. 2, 29-32).

Moge de Heer, Wiens Geboorte in het vlees wij heden vieren, ons aller vreugde zijn en moge de genade van Zijn heil over ons neerdalen. Amen.

Parijs, 25 december 2008.

+ Aartsbisschop Gabriël van Komana,
Exarch van de Oecumenische Patriarch.

Retour haut de page
SPIP